Bloemlezing (37) Peter Beense: ‘Carré is te klein voor mij!’

Beense“Attenooie, wat een hitte!”

Peter Beense doet een greep naar de handdoek die hij van huis heeft meegenomen en dept het zweet dat in dikke druppels op zijn voorhoofd parelt. Even daarvoor heeft de zwaarlijvige volkszanger zijn imposante gestalte voorzichtig tussen de leuningen van een rieten terrasstoeltje gewurmd, een bezigheid waarbij zowel hij als de stoel kreunde.

We zitten midden op het Rembrandtplein, epicentrum van horecaminnend Amsterdam. Peter Beense, de enige zanger bij wie Renée de Haan in de schaduw kan staan, noemt het zijn favoriete plek in de stad. Namens café Hof van Holland werkte hij er ooit als zingende kelner en aan de overzijde bij de Shorts of London, waar Manke Nelis elk weekeinde zijn beste beentje voor zette, deed hij eens mee aan een talentenjacht. “Ik werd derde. Geen idee meer wie er won. Een of andere operazanger geloof ik,” zegt hij vanachter zijn handdoek.

Beense had toen al enige jaren toogervaring. “Vanaf mijn zestiende ging ik op stap. Eerst altijd naar café Bolle Jan, dat toen nog op de Wittenkade zat. De kroeg van de ouders van René Froger, ja. Die stond daar achter de bar. Ben in die tijd ook veel met hem wezen stappen. Was nog een heel andere René. Een gewone jongen uit de straat. Dat is op een gegeven moment toch veranderd. Jammer, want we hebben veel gelachen vroeger.”

Maar niet alleen Froger veranderde, ook de stad om hem heen, stelt Beense met weemoed, nippend van een glas ijsthee dat in zijn handen de dimensies krijgt van een borreltje. “Eigenlijk zou alles hier een Amsterdamse uitstraling moeten hebben,” zucht hij, wijzend op de internationaal getinte horeca die ook ‘zijn’ Rembrandtplein heeft aangetast. En dat ‘Amsterdam Amsterdam niet meer is’, zit hem hoog, getuige het lied ‘Mijn mooie stad’ op zijn nieuwe, binnenkort te verschijnen cd. Daarin dicht hij: “Als ik ’s avonds wandel langs de grachten / en ik zie geen mens meer om me heen, / dan ga ik effe zitten op een bankje / en zie ’t water, waar de zon vandaag op scheen. / Ach, dan zit ik weleens te denken / hoe het ooit was, de tijden van weleer. / Mijn mooie stad, wat ben jij veranderd / en dat doet pijn, heel mijn hart doet zeer.”

Maar er zijn ook zaken ten goede veranderd, vooral waar het Beense’s loopbaan betreft. Zijn eerste schreden op het pad der Nederlandstalige muziek leverden hem nog geen dikke portemonnee op. Sterker, de platen van de zingende kelner werden dusdanig slecht verkocht dat hij er een baantje bij moest nemen. Hij werd schoonmaker, op de pont over het IJ. Maar toen hij eind jaren ’80, met financiële hulp van zijn zwager, een kroeg kon overnemen, begon een succesverhaal van formaat. In de Korte Reguliersdwarsstraat, recht tegenover de legendarische eetsalon van Van Dobben, ontstond karaoke-café Peter Beense. Wie er thans op vrijdag- en zaterdagnacht binnen geraakt, weet hoe vacuüm getrokken pinda’s zich moeten voelen.

Café Peter Beense werd een doorslaand succes. Maar niet alleen zakelijk, ook artistiek boert Beense de laatste jaren goed. We zoeven in zijn ruim bemeten Cadillac Escalade, een slagschip van een wagen met tv aan boord (adviesprijs: € 98.500,–), naar de plek die symbool staat voor Peter Beense’s erkenning als artiest: koninklijk theater Carré. Terwijl we – hoe weinig toepasselijk! – de Magere Brug passeren, zegt Beense dat hij al jaren aasde op een optreden in een echte schouwburg. “Ik dacht zelf aan de Kleine Komedie, maar Wim Bohnenn (een bekende evenementenbobo die ook actief was voor André Hazes – M.B.) zei: ‘Peter, je moet gróót denken.’ En ik dacht bij mezelf: wat is er nou groter dan de Kleine Komedie?”

Carré dus. Theatertempel waar hogepriesters als Toon Hermans, Freek de Jonge en Youp van ’t Hek avond aan avond voor eigen parochie preekten. Trefpunt voor de culturele elite. Bij Beense (“Binnen drie dagen uitverkocht!”) liep het publiek in polonaise over het balkon. “De directeur had gedacht dat hij iemand had geboekt die mooie luisterliedjes zong, haha. Achteraf liet ie weten dat ie mij eigenlijk niet geschikt vond voor Carré. Maar ze hadden nog nooit zo’n hoge drankomzet gehad. Of ik nu niet meer in Carré mag staan? Ik kán niet meer in Carré staan! Carré is te klein voor mij. Ik verkoop zo veel kaarten, dan zouden ze me een week moeten boeken!”

Drop etend en een enkele wegomlegging negerend (“Dat is het mooie van Amsterdam: je mag helemaal niets, maar als je het toch doet, is er niemand die er wat van zegt!”) zetten we koers naar het Museumplein, een andere historische plek uit het leven van de bard. In 1995 trad hij er op voor meer dan 100.000 man. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die menigte daar stond te wachten op het team van Ajax, dat vanuit Wenen onderweg was met de Europa Cup 1. Maar de sensatie was er niet minder om. “Op een gegeven moment gingen al die mensen tegelijkertijd op mijn liedjes staan springen. Dat hele plein voelde aan als een waterbed, echt niet te geloven…”

We kruipen weer in de tank, waarna Beense het gevaarte op indrukwekkende wijze door het drukke verkeer naar de Tollensstraat in Oud-West loodst. Daar, op één hoog ‘in een half woninkie aan de achterkant’, kwam hij in 1963 ter wereld. Onder het ouderlijk huis zat ook toen al een garage, om de hoek gloorde de levendige Kinkerstraat. Met op de hoek van de Bilderdijkkade café Roelvink, waar de ouders van Dries de scepter zwaaiden. In later jaren begon Ria Valk er een schoenenwinkel. Johan Cruijff trouwens ook, even verderop. De Tollensstraat, waar Gerrit Braam, speler van het team van DWS dat in 1964 landskampioen werd, een voortreffelijk viswinkeltje bestierde, is uiteraard ook veranderd, maar het lijkt Beense niet te deren. Hij woonde er tot zijn zesde en verhuisde toen naar de nieuwbouwwijk Osdorp. Hij zal dan ook voornamelijk dat stadsdeel bedoelen, als hij op zijn nieuwe album zingt: “Dan denk ik terug aan al die mooie jaren / dat ik als kind hier nog heb gespeeld. / Het zijn de mooiste tijden uit mijn leven, / ik heb me hier echt nog nooit verveeld. / Dan zie ik ook de positieve kanten, / want ik weet: het leven draait wel door. / Ja, deze stad heeft mij zoveel gegeven / en daar blijf ik toch altijd dankbaar voor.”

“Ik weeg nu 200 kilo,” zegt Beense, terwijl hij door de gleuf van de brievenbus naar binnen gluurt. “Natuurlijk is dat veel te veel. Ik wil vermageren, want het loopt echt de spuigaten uit. Maar ja, hoe doe je dat? Ik had een maagband laten plaatsen, zodat ik alleen heel fijn en vloeibaar voedsel zou kunnen nuttigen. Maar na verloop van tijd ging ik trucjes uithalen. Experimenteren met eten. Wist op een gegeven moment: als ik nou heel lang kauw en maal, dan kan ik tóch alles naar binnen krijgen. Slaatjes slikte ik sowieso makkelijk weg. Weet je wat de pest is: ik ben een lekkerbek. Neem ik een plak ham, dan doe ik er ook een lik honingmosterd op. Zo ben ik nou eenmaal, dat zit er gewoon ingebakken.”

Drank is in elk geval de boosdoener niet. Want hoewel Peter Beense in velerlei opzicht de troonopvolger van André Hazes kan worden genoemd: zuipen doet hij niet. Geen druppel. “Ik heb twee keer in m’n leven gedronken. Eén keer bessen-up, één keer pisang ambon jus. Twee keer ziek geweest. Doe ik dus niet meer. En dat geloven de mensen niet hè. Bij optredens is het constant ‘Aah Peter, neem nou een biertje!’ Pas na zes keer krijg ik het Spaatje blauw waar ik om had gevraagd. Mensen denken altijd dat ik een geintje maak.”

We staan inmiddels voor de gevel van De Bijenkorf, hoek Dam/Damrak. In het warenhuis kreeg Beense’s filmcarrière gestalte, met een rol in de onlangs uitgekomen speelfilm ‘Honeyz’. In deze rolprent, door hemzelf omschreven als ‘een leuke meidenfilm’, speelt Peter Beense een nachtportier die op twee meisjes stuit die zich in De Bijenkorf hebben laten insluiten. Het is een komische rol. “De producent wilde mij per se hebben, want hij vindt mij de Nederlandse John Candy. Een leuke ervaring, dat filmen, maar niet iets om m’n beroep van te maken. Dan blijf ik toch liever zingen. Zo, en dan gaan we nu ijs eten! Bij Van der Linde natuurlijk, op de Nieuwendijk. Het beste ijs van de hele stad. Maar dan moet ik wel m’n auto zien kwijt te raken… Attenooie, wat is het druk!”

(uit: De Telegraaf, 3 juni 2007)