Bloemlezing (36) Op zoek naar bloeiende Victoria

Hortus_020Ik ben zo kinderachtig dat ik automatisch begin te gniffelen als ik lees dat ergens in een botanische tuin een penisplant in bloei staat. Dat is een reusachtige aronskelk (Amorphophallus titanum) in de vorm van het mannelijk lid, die tijdens de weinige uren dat ie bloeit een ondraaglijke stank verspreidt. (Ik moet dan altijd denken aan die cartoon van Kamagurka, waarbij een man met een overduidelijk broeiende broek zich bij herberg ‘In den Stinkende Roede’ meldt met de tekst: “Goed volk!”). De laatste keer dat er in ons land naar verluidt een penisplant bloeide, was in 2003. En dat was dan ook nog ‘ns in de Hortus van Leiden. In die van Amsterdam hebben ze zo’n grote jongen niet. Nee, onze Hortus Botanicus gaat prat op de bloeiende reuzenwaterlelie Victoria cruziana. Deze Victoria, die aanzienlijk steviger is gebouwd dan de Victoria beckhamania (een Britse wandelende tak), is volgens de dames en heren van de Hortus op z’n mooist in de schemering, als de bloem helemaal opengaat. Dat klinkt erg Efteling-achtig, maar omdat ik gek ben op sprookjes, besluit ik eens een avondje Hortus te doen. Het is bovendien komkommertijd, dus bij uitstek het jaargetijde om een botanische tuin te bezoeken.

Toch eerst even informeren van tevoren, of de plant werkelijk op z’n mooist is. De man die de telefoon opneemt moet dat ‘even navragen’, maar spreekt enige minuten later het verlossende woord: “De Victoria staat in bloei!” Plantvriendelijk als ik ben, spring ik onmiddellijk op m’n fiets. Maar halverwege huis en Hortus begint het te regenen. Onder het motto ‘morgen weer een dag’ kap ik de missie af.

Vierentwintig uur later sta ik dan toch voor de monumentale toegangspoort van de Hortus, die voormalige medicinale kruidentuin die ooit van exotische sierplanten werd voorzien door de ondernemende mannen van de Verenigde Oostindische Compagnie. Die legendarische handelsonderneming is overigens geëerd met een pracht van een gevelsteen ter linkerzijde van de poort, maar omdat ik nu iets te veel als een gids ga klinken, neem ik u snel mee naar de Oranjerie, waar het Hortus-restaurant is gevestigd. “Op vertoon van uw toegangskaartje krijgt u daar een welkomstdrankje,” had de man van de plantenkassa gezegd – en dan ben ik toch te veel Hollander om daar geen gebruik van te maken. Het drankje in kwestie is een glas koude bietensoep. Opgeleukt met een specerij waarvan ik vermoed dat het koriander is, dat dan weer wel. De keuken van de Oranjerie schijnt een zekere faam te genieten, dus vol vertrouwen werp ik een blik op het menukaartje ter grootte van een iepenblad. Ik kies voor de Corsicaanse stoofschotel van mals lamsvlees met tomaat, witte wijn en gedroogde paddestoelen, geserveerd met nieuwe aardappelen en jonge kaaspasta, voornamelijk omdat dit het enige hoofdgerecht is dat ze hebben. Het komt in de vorm van draadjesvlees en keihard gekookte aardappelen op tafel en ik moet zeggen: ik heb weleens smakelijker geassimileerd.

De 1,2 hectare grote tuin dan maar in, op zoek naar de bloeiende waterlelie. En voor die zes euro entree ook nog even zo veel mogelijk andere planten meepikken (niet letterlijk), wat geen grote opgave is want er staan er zo’n zesduizend. De mobiele telefoon is dan al lang (verplicht) uitgezet en dat komt de sfeer beslist ten goede, moet ik bekennen. Al blijft het jammer van de sirenes, de vliegtuigen en de trams die de stilte regelmatig aan flarden scheuren. En als de brug over de Nieuwe Herengracht opengaat, gaat dat ook gepaard met geluiden die je ten tijde van de VOC nog niet had. Binnen in de prachtige, bij vlagen bloedhete Drieklimatenkas heb je van die ellendige bijgeluiden geen last, maar buiten zijn ze alom aanwezig. En het is bepaald vervelend om, als je met ingehouden adem naar een zeldzame Australische Wollemi Pine staat te kijken, iemand een glasbak te horen vullen.

De tuin van de Hortus is destijds aangelegd volgens de wetten van de Romantiek, wat inhoudt dat er veel slingerpaden zijn waarover het heerlijk meanderen is. (“Nog iets leuks gedaan afgelopen week? – “Och, een beetje gemeanderd in de Hortus”) Ik ontdek de seringenfuchsia, de paddelelie en de skunk cabbage, die het natuurlijk goed zou doen als garnering bij een broodje in een coffeeshop. Bij de bleke lis moet ik onwillekeurig denken aan een temeier uit de jaren ’50 (‘De Cock en de moord op Bleke Lis’). Ik buig voor de grote veldbies, zeg de witte dovenetel luidkeels gedag en sta even plechtig stil bij de Jan-op-de-preekstoel, een plantje dat bij navraag NIET vernoemd blijkt te zijn naar de vorige hoofdredacteur van Metro. Ik bekijk de Duitse lis, die waarschijnlijk z’n eigen kuiltje heeft gegraven en de Sint Bernardlelie, die we vooral niet moeten verwarren met de Prins Bernhardanjer.

En dan is daar, om de hoek, de Pontederia-vijver, waar de Victoria drijft. Maar… bloeit ie nu of bloeit ie niet? Of slechts gedeeltelijk? Een bordje langs de waterkant zegt dat de Victoria maar twee dagen per jaar in bloei staat. Heb ik mezelf in de vingers gesneden door gisteren vanwege een lullig regenbuitje rechtsomkeert te maken? Niet in paniek raken nu. Goed in me opnemen wat ik constateer. Ik zie rode bloemen onder het wateroppervlak drijven – die bloeien waarschijnlijk niet meer. Ik zie witte bloemen die fier het luchtruim in steken – maar zijn die wel van de waterlelie? Ik zie identieke bloemen, tulpachtigen, die nog in de knop zitten. Eromheen prijken ogenschijnlijk ex-bloemen, die lijken op douchekoppen. En er is één bloem die eruit ziet als een spiegelei: zou dát dan misschien Victoria’s flower power zijn? Ik snap er eerlijk gezegd geen moer van. En als ik bij het zien van de drijvende bladeren ook nog eens aan Multivlaai moet denken, besluit ik de uitgang op te zoeken en me de komende twaalf maanden, in de aanloop naar de nieuwe bloeiperiode, eens wat beter voor te bereiden. Want wat ik nu heb gedaan is ronduit beledigend, voor zo’n majestueus levend wezen.

(uit: Metro, 14 augustus 2006)